Aandacht voor klimaat groeiend bij beursgenoteerde ondernemingen?

Het klimaat en duurzaamheid zijn inmiddels niet meer weg te denken begrippen in onze maatschappij. Voor veel ondernemingen zijn ‘ESG’ doelstellingen (environmental, social, governance) gemeengoed geworden. ESG-rapportages gebruiken voornamelijk niet financiële indicatoren. We kunnen constateren dat het belangrijkste accent bij ondernemingen nu nog ligt op financiële resultaten.

In vervolg op een onderzoek begin vorig jaar over klimaatrisico’s vroeg Jan Stolker zich af of de plannen van grote beursgenoteerde bedrijven concreet in kaart gebracht kunnen worden. En voor welke uitdagingen het bestuur en toezicht hierdoor in de nabije toekomst staan. In samenwerking met het ‘Impact Centre’ van Karen Maas van Erasmus Universiteit Rotterdam is onderzoek gedaan naar de aandacht die klimaat gerelateerde thema’s heeft gekregen in de jaarverslagen van de AEX genoteerde bedrijven in de jaren 2016-2018 om vervolgens te bepalen of daar concrete plannen uit voort zijn gekomen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek hebben Jan Stolker, onderzoeker Bahar Keskin den Doelder en Jatinder Sidhu een artikel geschreven dat recent geplaatst is in een speciale editie van het vakblad MAB: https://mab-online.nl/article/50444/

Hier volgt een heads-up samenvatting van het artikel.

Focus van het onderzoek
In het onderzoek is gekeken hoe in de jaarverslagen van aan de AEX genoteerde ondernemingen wordt gecommuniceerd en/of gerapporteerd over klimaat-gerelateerde onderwerpen in de driejaar periode van 2016 tot en met 2018. Beursgenoteerde ondernemingen ervaren grote druk van hun stakeholders (investeerders, personeel, klanten) om aandacht te besteden aan klimaatthema’s. Het klimaatakkoord van Parijs (2015) heeft de roep om meer aandacht voor het klimaat versterkt. In 2017 is in Nederland de Europese richtlijn voor rapportage van niet financiële (ESG) aspecten van ondernemingsbeleid van kracht geworden. De Nederlandsche Bank is begonnen met het voorschrijven van klimaat stress testen voor financiële organisaties. De verwachting is dat door deze ontwikkelingen het klimaat ook meer zichtbaar zou moeten zijn in de jaarverslagen van beursgenoteerde ondernemingen in Nederland. Zichtbaar in termen van aandacht maar ook in termen van daadwerkelijke acties.

De relatie tussen aandacht voor klimaat en hieruit voortvloeiende daadwerkelijke acties is de basis voor het onderzoek. Aandacht is in de ‘behavioral science theorie’ een voorwaarde en een voorspellende factor om in vervolg hierop tot actie over te gaan. Zo leert onderzoek dat zichtbare aandacht van CEO’s voor bijvoorbeeld technologische innovatie, leidt tot snellere toetreding tot nieuwe markten. Het hebben van aandacht voor een actueel thema is echter nog geen garantie voor daadwerkelijke acties in vervolg op deze aandacht. Zo kan het een organisatie aan middelen ontbreken om de gewenste veranderingen uit te voeren. Het is ook mogelijk dat onder druk van bijvoorbeeld korte termijn gerichte investeerders het daadwerkelijk commitment aan het geadresseerde thema ontbreekt. Dan is er sprake van een ‘gap’ tussen aandacht en actie, wat wel wordt genoemd: ‘not walking the talk’.

Onderzocht is hoe de 24 grootste beursgenoteerde ondernemingen in Nederland in de periode 2016-2018 communiceerden en rapporteerden over aandacht en actie voor klimaatthema’s in hun jaarverslagen. Door vast te stellen of en in welke mate aandacht en acties in de jaarverslagen zijn vastgelegd kan worden vastgesteld of er verschillen zijn tussen organisaties. En er kan vastgesteld worden of er in de loop van deze periode binnen organisaties veranderingen zichtbaar zijn in de mate van aandacht voor het klimaat en de in gang gezette acties. Waar mogelijk is nader onderzoek gedaan naar ‘integrated’ of ‘sustainability’ rapportages. Dit onderzoek is vernieuwend op het terrein van klimaat gerelateerde rapportages.

Resultaten onderzoek
In onderstaande tabel wordt een patroon zichtbaar hoe de onderzochte bedrijven scoren op aandacht en actie in het jaar 2016.

Figuur 1. Jaar 2016 aandacht- actie positionering


De 24 onderzochte bedrijven verschillen sterk in de mate waarin aandacht wordt gegeven aan klimaatthema’s en de ondernomen acties. Dit ondanks het gegeven dat het allemaal grote bedrijven betreft, waarvan de aandelen worden verhandeld op de beurs. Zij hebben te maken met maatschappelijke aandacht en druk van steeds meer klimaat bewuste aandeelhouders. De verschillen die zichtbaar zijn, zijn waarschijnlijk het gevolg van verschillen in urgentie tussen industrieën en verschillen in de cultuur en aard van bedrijven.

Een interessante constatering op basis van de uitkomsten is dat met name Shell en Arcelor Mittal veel aandacht besteden aan klimaat, maar in acties achter lijken te blijven bij een aantal andere bedrijven. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat beide bedrijven actief zijn in de sectoren van de economie die de grootste aanpassingen zullen vereisen. Een belangrijk deel van de benodigde acties nog moeten worden ontwikkeld. Ook is het mogelijk dat beide bedrijven nog niet volledig willen communiceren over hun daadwerkelijke acties omdat hun uitspraken door investeerders extra scherp beoordeeld worden en er het risico bestaat van juridische claims.

In het schema van 2018 is te zien dat de meeste bedrijven opgeschoven zijn naar meer aandacht en meer actie. Maar ook dat een aantal bedrijven hoog scoren op ingezette acties en laag op aandacht voor klimaat (Aalberts, ASML, RELX, AkzoNobel, Unibail-Rodamco-Westfield). Uit het onderzoek van de jaarverslagen en onderliggende stukken is gebleken dat, behalve voor AkzoNobel, dit een gevolg is van het feit dat deze bedrijven klimaat niet expliciet in hun strategie hebben opgenomen en dat dit ook geen deel uitmaakt van de agenda van de raad van commissarissen. Een gevolg hiervan kan zijn dat de acties een ad hoc karakter hebben en niet vanzelfsprekend voortvloeien uit een ingezette strategische koers.

Figuur 2. Jaar 2018 aandacht- actie positionering


Uit de vergelijking van 2016 en 2018 kan worden opgemaakt dat de aandacht en acties voor klimaat in zijn algemeenheid zijn toegenomen bij de onderzochte bedrijven. 21 van de onderzochte bedrijven heeft nu aandacht voor het klimaat. Uit onderzoek van de rapportages en communicatie van de afzonderlijke bedrijven blijkt dat 11 van de 24 bedrijven (44%) in de ‘letters to shareholders’ de aandeelhouders informeren over klimaat-gerelateerde issues. Dat betekent dat veel bedrijven nog steeds weinig aandacht geven aan het klimaat in hun communicatie met aandeelhouders en investeerders.

Wat ook opvalt is dat bij maar 9 AEX-bedrijven (36%) het klimaat op de agenda van de raad van commissarissen staat. Klimaat lijkt daardoor vooral een zaak van de CEO en het executive managementteam. Dat is zorgelijk, omdat dit erop zou kunnen duiden dat het klimaat niet gezien wordt als cruciaal voor de lange termijnstrategie van de organisatie. En dat is een onderwerp waarover de dialoog met commissarissen noodzakelijk is. De huidige Corona epidemie met haar grote korte termijn gevolgen overheerst de agenda van vandaag. Voor de lange termijn zal het klimaatbeleid een veel meer prominente plaats op de agenda’s van bestuurders én toezichthouders gaan opeisen.

Een vervolgonderzoek naar de jaarrekeningen over 2019 zal aangeven of de sterk toegenomen druk vanuit de maatschappij het afgelopen jaar tot verdere resultaten heeft geleid.

Soft controls: een noodzakelijke en nieuwe blik voor toezichthouders

Soft controls: een noodzakelijke en nieuwe blik voor toezichthouders
Marlène Jans, Petri Ykema, januari 2020

In het gesprek dat Marlène Jans en ik hebben gevoerd over ING en Boeing was het eerste thema dat Jans aansneed de impact van cultuur en gedrag op de besluitvorming in en het functioneren en daarmee de resultaten van organisaties. Uit de ING en Boeing casussen komt klip en klaar naar voren dat juist de hardnekkigheid van een bestaande cultuur een belangrijke bron kan zijn voor potentiële risico’s in een organisatie. Bij zowel ING als Boeing lieten beide organisaties een focus zien op het korte-termijn bedrijfsbelang: financieel resultaat boven eigen integriteit en naleving van regelgeving bij ING. En bij Boeing prevaleerden de gemaakte leveringsafspraken boven de kwaliteit van de vliegtuigen en daarmee de veiligheid van de passagiers. Bovendien was er geen ruimte voor tegenspraak en het melden van risico’s door ingenieurs op de werkvloer (aanspreekbaarheid).

Duidelijk is dat de heersende cultuur met onderliggende normen en waarden in deze organisaties bepalend zijn voor het gedrag in de organisatie en daarmee voor de resultaten. Zelfs als je je als commissaris hiervan bewust bent, is het nog niet eenvoudig om zicht, laat staan grip, te krijgen op zaken als gedrag en cultuur in relatie tot potentiële risico’s in en voor een organisatie. Jans stelt dat het voor commissarissen van belang is dat zij inzicht hebben in de cultuur en daarmee de gedragselementen die in een organisatie aan de orde zijn. Inzicht in elementen die het gedrag bepalen geeft commissarissen een handvat om de cultuur in de organisatie bespreekbaar te maken en mogelijk te toetsen. Het voorkomt ook dat alleen toezicht wordt gehouden op de symptomen, zonder dat de achterliggende grondoorzaken worden onderzocht. Maar: op welke wijze kun je als commissaris achterhalen door welke uitgangspunten, normen en waarden, veronderstellingen het gedrag in organisaties wordt bepaald en beïnvloed? En op welk moment en op welke wijze kun je als commissaris de vinger op de zere plek leggen?

Jans geeft aan dat het door Muel aptein (Professor Business Ethics and Integrity Management Erasmus Research Institute of Management, Partner KPMG) ontwikkelde ‘Gedragselementen model’ (ook wel soft controls model genoemd) hiervoor mooie aanknopingspunten biedt. Dit model geeft informele (beheers-) maatregelen weer die binnen een organisatie van invloed zijn op het feitelijk gedrag van betrokkenen. Het worden ook wel niet-tastbare maar wel meetbare gedrag-beïnvloedende factoren genoemd.

Vinger achter cultuur en gedrag
Medewerkers in organisaties, van laag tot hoog, gedragen zich in principe conform wat in de organisatie als gewenst gedrag wordt beschouwd. Zeker in organisaties met een zogenoemde sterke cultuur is voor iedereen duidelijk welk gedrag wordt gewaardeerd en wat niet geaccepteerd wordt. Het model van Kaptein laat zien hoe gewenst gedrag in organisaties wordt gevormd, geïnternaliseerd en bewaakt. Met dit model in het achterhoofd wordt het voor commissarissen beter mogelijk om vragen te stellen over cultuur en gedrag, deze zo bepalende factoren voor het succes van organisaties.

Gedragselementen model
Het Gedragselementenmodel van Kaptein gaat uit van 3 fases in de ontwikkeling van gedrag, te weten de fases van preventie, detectie en respons.

Preventie
Kern van deze fase is de ontwikkeling van het in de organisatie gewenste gedrag. Van belang is dat helder wordt gecommuniceerd aan de medewerkers wat als gewenst gedrag wordt beschouwd (‘helderheid’). In aansluiting hierop is het essentieel dat het management hierin ook het goede voorbeeld geeft (‘voorbeeldgedrag’) en dat van hoog tot laag de medewerkers betrokken worden bij de uitvoering van deze verwachting (‘betrokkenheid’). Dit dient het management ook actief uit te dragen. Voor een goede betrokkenheid van iedereen is een vereiste, dat de opdracht uitvoerbaar moet zijn, dus de medewerkers de juiste middelen (tools, opleidingen, tijd en ruimte) ter beschikking krijgen (‘uitvoerbaarheid’).

Detectie
In de detectiefase wordt zichtbaar gemaakt wat het resultaat is van de voorgaande stappen (‘transparantie’), aan de hand van deze resultaten kunnen gedrag en resultaat bespreekbaar worden gemaakt (‘bespreekbaarheid’). Leveren de inspanningen de gewenste resultaten op? Zo niet, wat kan er beter? Leren we ook van gemaakte fouten? Wanneer hiermee niet het gewenste resultaat wordt bereikt en geen corrigerende acties worden ingezet, wordt overgeschakeld naar de fase van respons.

Respons
In de responsfase wordt de medewerker aangesproken op de resultaten (‘aanspreekbaarheid’) indien de resultaten niet in lijn zijn met de verwachtingen, en indien nodig worden hieraan consequenties verbonden (‘handhaving’). In de handhavingsfase wordt bestraft als de resultaten achterblijven, maar ook beloond, als het goed is gegaan. Elke fase is essentieel in dit proces, en dit geldt voor elke medewerker, dus ook voor het (top-) management.

Gebruik van het model door de commissaris
Het model biedt een aantal interessante aanknopingspunten voor commissarissen om gedrag en cultuur aan de orde te stellen. Voor commissarissen is het van belang om vast te stellen wat het door de organisatie nagestreefde gedrag is, welke normen en waarden leidend zijn bij het invulling geven aan taken en rollen in de organisatie. Hierbij is van belang vragen te stellen over of de ingezette doelstellingen voor cultuur en gedrag niet alleen aansluiten bij korte-termijn doelstellingen van de organisatie, maar ook bij lange termijn en maatschappelijke doelstellingen. Ook is het belangrijk te achterhalen of in de organisatie voldoende bekend is wat de doelstellingen inhouden. Als commissaris kun je dit doen door vragen te stellen over de uitgangspunten van ingezette verandertrajecten, de gehanteerde kpi’s en dergelijke en door te achterhalen of in de organisatie ook daadwerkelijk wordt gehandeld naar de benoemde ambities. In toenemende mate wordt het daarbij als normaal en wenselijk ervaren dat de commissaris zich door medewerkers op diverse niveaus in de organisatie laat informeren over de haalbaarheid van de gestelde eisen en de beleving van de cultuur in de organisatie.

Het model kan vrij eenvoudig worden ingezet voor de organisatie waarop toezicht wordt gehouden. De ING- casus is hier een mooi voorbeeld voor. De bevindingen van het OM en de beschreven grondoorzaken bij ING kunnen aan dit model worden gelinkt en de gedragselementen kunnen worden geduid. ‘Dit model draagt bij aan het creëren van bewustzijn over het functioneren en de impact van sociale processen in de organisatie en is een goede kapstok voor het formuleren van vragen op dit thema’, aldus Jans. ‘Het nodigt de toezichthouder uit om andere vragen te stellen als bijvoorbeeld wat is de cultuur in de organisatie ten aanzien van omgaan met fouten?’ Deze gedragselementen betreffen ook het gedrag van het (top-)management zelf, en juist hier komt de toezichthouder om de hoek kijken. In de verschillende rollen van de commissaris (werkgever, adviseur en toezichthouder) kan de vraagstelling op basis van het model en daaruit voortkomende informatie van grote toegevoegde waarde zijn. Het is zaak het model op maat van de organisatie waarop toezicht wordt gehouden in te zetten. Maatwerk én gevoel voor de situatie op de werkvloer zijn de sleutel tot succes.

Veranderende rol toezichthouder
‘De focus van de toezichthouder verschuift van reactief ingericht toezicht naar signaleren en anticiperen. Er wordt moreel leiderschap gevraagd’, aldus Jans. ‘Lef hebben en ruggengraat tonen zijn in de huidige tijd belangrijke eigenschappen voor de commissaris’. En dóórvragen. Je moet als toezichthouder weten wat er in de organisatie speelt, welke (ethische) dilemma’s op de agenda staan, hoe deze bespreekbaar worden gemaakt en met welke (cultuur-gerelateerde) risico’s rekening gehouden moet worden. Van de commissaris wordt verwacht dat deze in staat is om deze zaken te verbinden aan de eigen rol. De focus op symptoombestrijding kan zeker niet meer. Deze moet worden vervangen door een aanpak aan de bron, zodat de preventie van debacles als bij ING en Boeing, als beschreven in het artikel over deze casussen, kan worden voorkomen.

Een bekende reflex in antwoord op lastige vragen is duikgedrag. ‘Dit duikgedrag kan ook worden gezien als een bevestiging van de constatering hierboven; men toont dan niet aanspreekbaar te zijn’, aldus Jans. Voor de VCTE is een interessante vraag op welke wijze bijgedragen kan worden aan de gevraagde ‘mindshift’ van toezichthouders.

Wat ging er fout bij ING en Boeing? Verplichte kost voor toezichthouders!

Wat ging er fout bij ING en Boeing? Verplichte kost voor toezichthouders!
Marlène Jans, Petri Ykema, januari 2020

‘Hoe is het mogelijk dat het zo fout ging bij twee grote gerenommeerde, concerns als ING en Boeing?’ ING in de ‘witwasaffaire’, Boeing met de constructiefouten bij de 737 Max. Deze vraag triggerde Marlène Jans en heeft haar ertoe gebracht op zoek te gaan naar de achterliggende oorzaken van deze debacles. Marlène Jans is werkzaam voor RSM Netherlands (consultants, accountants en fiscalisten),  verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (Master Financieel Recht) en de oprichter van de Kennistafel voor Gedrag & Cultuur van de Vereniging voor Compliance Officers (VCO). Het accent in haar werk ligt op de combinatie van governance en compliance, met nadruk op het signaleren en voorkomen van integriteitsschendingen en risico’s voortkomend uit gedrag en cultuur. Daarbij loopt zij regelmatig aan tegen verouderde beeldvorming over compliance. Waar compliance eerder werd gezien als het voldoen aan de wet en afvinken van lijstjes, heeft compliance de laatste jaren een grote ontwikkeling doorgemaakt. Compliance wordt in toenemende mate gezien als een middel om de integriteit van een organisatie te versterken, met als doel bij te dragen aan duurzame waardecreatie.

Probleem achter het probleem bij ING
Aan het begin van het gesprek geeft Jans aan dat zij meer aandacht wil voor de grondoorzaken, veelal terug te voeren op gedrag en cultuur in organisaties. Gedrag en cultuur is  de basis  van situaties zoals bij organisaties als ING Nederland (ING) en Boeing zijn ontstaan. Het ING-witwasvraagstuk was voor Jans een interessante casus waar zij onderzoek naar heeft verricht. Krantenkoppen als ‘Hoogste boete ooit voor ING: winst bank ging boven controle op witwassen’ laten al een vermoeden van (een deel van) de oorzaak zien. Jans: ‘Business en de tevredenheid van de klant kregen meer prioriteit dan een integere bedrijfsvoering en afspraken over compliance’. Bij ING is over de periode van 2010 tot en met 2016 onderzoek verricht door het Openbaar Ministerie (OM), samen met de AFM en DNB naar (het vermoeden) van witwassen door de bank. Daarbij zijn serieuze tekortkomingen gesignaleerd. Aanleiding vormde een reeks opgespoorde grote witwaszaken (o.a. Vimpelcom), waarbij telkens bleek dat ING de huisbankier was. Desondanks heeft dit  bij ING niet ertoe geleid dat daadwerkelijke aandacht voor en aanpassingen in de organisatie tot stand zijn gekomen. Bij ING bleven tekortkomingen bestaan.

Het onderzoek van de opsporingsinstanties liet zien dat er veel misging in de afdelingen betrokken bij de controle op witwassen. Zo ontbraken klantendossiers of waren ze niet volledig, werden klanten onjuist geregistreerd en in de verkeerde risicocategorie ingedeeld, was het reviewen van risicoklanten onvoldoende en werden dubieuze zakelijke relaties niet of veel te laat beëindigd. Het OM heeft vastgesteld wat de grondoorzaken hiervoor waren.

  • Het onderwerp compliance kreeg onvoldoende aandacht en prioriteit, ook bij het betrokken senior management.  De ‘tone at the top’ onderschreef onvoldoende het belang van een goede uitvoering van de verplichtingen voortvloeiend uit de Wet ter Voorkoming van Witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Dat bleek onder meer uit onvoldoende investeringen in het benodigde transactiemonitoringsysteem en de te beperkte capaciteit van het benodigde personeel, zowel qua aantallen als qua opleidingsniveau.
  • Het belang van de business stond voorop: bij bepaalde beslissingen prevaleerden de commerciële doelstellingen boven de naleving van Wwft. Dit werkte door in de werkprocessen, bijvoorbeeld bij het accepteren van cliënten.
  • Duurzame oplossingen werden niet gezocht: er was onvoldoende wil en slagkracht om de problemen structureel op te lossen. “Op die manier zijn tekortkomingen verwijtbaar blijven bestaan”, aldus het boetebesluit van het OM.
  • Disfunctioneren van interne controles en verzuiling: tekortkomingen ontstonden en bleven bestaan door het disfunctioneren van de interne controles. ING hanteerde hiervoor het ‘three lines of defence’- model, waarbij iedere ‘line of defence’ een eigen rol had in het voorkomen van niet-naleving van wet- en regelgeving. Deze ‘lines of defence’ hebben beperkte verantwoordelijkheid gevoeld voor het geheel. Er was sprake van verzuiling, eenieder had slechts oog voor zijn eigen afgebakende rol waardoor eigenaarschap op het gehele proces ontbrak.
  • Binnen ING ontbrak een ‘escalatiecultuur’: tekortkomingen die op de werkvloer wél bekend waren, drongen niet of te weinig door tot het hoger management. En signalen die wel werden opgepakt, werden lager in de organisatie belegd, zonder voldoende zicht te houden op de herstelmaatregelen.

Wel beschouwd zijn dit allemaal oorzaken die terug te voeren zijn op de bedrijfscultuur en op bewustgemaakte keuzes, die voortvloeien uit korte termijn commerciële belangen. Dat maakt deze zaak zo confronterend. Relevante vragen hierbij zijn: hoe kan een organisatie zo lang blijven vasthouden aan bestaande patronen van organiseren, waardoor een al gesignaleerde tekortkoming kan blijven voortbestaan? Heeft niemand iets gezien? Of is er wel iets gezien, maar is ervoor gekozen om niet in te grijpen? Wat maakt dat die stap niet is gezet? Hoe heeft het hoger management invulling gegeven aan haar voorbeeldrol? Jans geeft aan dat hier naar haar idee twee elementen een belangrijke rol spelen. Enerzijds is de huidige generatie hoger management het product van een neoliberale opleiding, waarin veelal voorrang wordt gegeven aan ‘shareholder value’ en de focus ligt op groei. Anderzijds is het bijzonder lastig om mensen in een organisatie tot gedrag te krijgen dat afwijkt van het door de top van de organisatie getoonde en van belang geachte gedrag.

‘Uiteindelijke conclusie was dat niemand persoonlijk verantwoordelijk kon worden gehouden, het lag aan het systeem. Maar systemen nemen geen besluiten’, aldus Jans.

Boeing nader bekeken
‘Wanneer je de Boeing-kwestie onder de loep neemt, zie je andere accenten maar ook vergelijkbare patronen’, aldus Jans. ‘Signalen van de werkvloer werden niet (goed) opgepakt, medewerkers die signalen afgaven zijn zelfs weggewerkt’. Het korte-termijn belang van de business is ook hier boven het lange termijn en maatschappelijke belang gegaan. Dit had bij Boeing twee vliegtuigcrashes en 347 dodelijke slachtoffers tot gevolg. Wat gebeurde er concreet? Werknemers van de Boeing-fabriek in South Carolina werden gedwongen om een te ambitieus productieschema te handhaven en zij waren bang om hun baan te verliezen als ze hun zorgen uitten. De cultuur van de organisatie kenmerkte zich door een gebrek aan psychologische veiligheid. Signalen van ingenieurs dat de testen van bepaalde systemen lieten zien dat er een productiefout was, werden niet serieus genomen en werden ervaren als een bedreiging om de productiedoelen te halen. Sterker nog, voor sommige ingenieurs leverde dit hun ontslag op. Ook werd de noodzaak om simulatortrainingen te geven aan piloten onder het tapijt geschoven. ‘Ook hier zien we het grotere belang van de business boven de integriteit van de organisatie en de gebrekkige borging van interne controles en een interne cultuur die dit toeliet. Helaas een rake illustratie van een organisatie die te weinig zicht heeft of wil hebben op het risico áchter het risico’, aldus Jans.

Inmiddels is – naast het enorme verdriet voor de nabestaanden van de 347 slachtoffers – de schade voor Boeing zelf opgelopen tot ruim 12 miljard dollar, plus de schade voor derden, zoals toeleveranciers en vliegtuigmaatschappijen. Deze maatschappijen hebben onvoldoende vliegtuigen ter beschikking, waardoor bijvoorbeeld TUI een voorziening moest treffen van meer dan 200 miljoen euro en heeft Ryan Air twee bases (Stockholm en Nürnberg) gesloten. Eind 2019 heeft het debacle nog geleid tot het vertrek van de CEO en de Legal Director van Boeing. Hier blijkt dat ‘kleine’ besluiten op de werkvloer een gigantisch domino-effect teweeg kunnen brengen, waarvan de schade en de gevolgen niet kunnen worden overzien. Want wie is nog bereid zijn om in een Boeing 737 MAX te stappen? En hoe groot is de reputatieschade voor Boeing over langere termijn? De schadeketen is nog niet ten einde.

Toezichthouder voldoende toegerust?
Voor Jans is een belangrijke vraag of de interne toezichthouders in beide cases weet hebben gehad van de problematiek en of zij voldoende zijn toegerust voor deze vraagstukken. Hebben de toezichthouders de juiste vragen gesteld? Hoe werd toezicht gehouden op het beloningsbeleid in relatie tot kpi’s? Waren de toezichthouders op de hoogte van de cultuur van ‘bedrijfsbelang boven maatschappelijk belang’? Hebben zij oog voor de risico’s achter de risico’s en voor de gevolgen als risico’s niet op adequate wijze worden beheerst? Zijn de toezichthouders voldoende meegegaan met de veranderende wereld? Bij ING is de vraag of toezichthouders zelf het initiatief hebben genomen tot verdieping op de door het OM, AFM en DNB gesignaleerde misstanden, of dat zij zijn meegegaan in het vooropstellen van het korte-termijn bedrijfsbelang? Jans vermoedt dat het laatste aan de hand is. Enerzijds omdat het merendeel van de huidige toezichthouders in het beeld van Jans een vergelijkbare achtergrond heeft als de bestuurders van de ondernemingen, met wortels in het neoliberalisme. Diversiteit in de boardrooms is nog beperkt. Anderzijds omdat er tot op heden te weinig aandacht is voor de ‘zachtere risico’s’ in de risicoanalyse. Toezicht vindt nog veelal plaats op basis van (financiële) kengetallen en weinig op cultuur en functioneren van medewerkers. En dat terwijl de gevolgen van die risico’s veel groter blijken te zijn dan bijvoorbeeld een besluit over een afschrijving of een besluit over aanpassing van de strategie. ‘Culture eats strategy for breakfast’, zei Peter Drucker niet voor niets al lang geleden. In het artikel ‘Soft controls voor de toezichthouder’ beschrijven we op welke wijze je als toezichthouder meer grip kunt krijgen op deze zachtere risico’s in en voor organisaties.

Besturen vanuit impact is echt iets anders dan besturen vanuit finance

Besturen vanuit impact is echt iets anders dan besturen vanuit finance

Gesprek met Jacqueline Scheidsbach, directeur Impact Centre Erasmus (ICE)

Petri Ykema, juli 2019

Op het terras van The Greenhouse in Utrecht, tref ik Jacqueline Scheidsbach. Een passende locatie voor het gesprek. The Greenhouse is een horecagelegenheid die is opgezet voor een periode van vijf jaar en die volledig vanuit circulair denken is ontwikkeld. Dit uit zich in een gebouw dat volledig is te hergebruiken na afbraak, meubilair met een tweede leven, verlichting en stoelen betaald naar gebruik, toepassing van alleen lokale producten (er is dus geen gemberthee verkrijgbaar) en inzet van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. The Greenhouse is een casus die gebruikt wordt in onderzoek en onderwijs van het Impact Centre Erasmus, waar Jacqueline Scheidsbach directeur is.

Het impact Center Erasmus
Het Impact Centre Erasmus is 2015 op initiatief van Dr. Karen Maas ontstaan. Nu, in 2019, is er duidelijk meer belangstelling voor het thema Impact dan vier/vijf jaar geleden, en al helemaal sinds het begin van het onderzoek van Karen meer dan 10 jaar geleden. Op mijn vraag wat ‘Impact’ in haar termen betekent stelt Jacqueline Scheidsbach dat het er in de kern om gaat dat het maatschappelijke impact een belangrijk uitgangspunt is voor het bepalen van het succes van een organisatie en dat niet uitsluitend meer wordt gedacht in termen van financieel succes. Impact-denken wint nu aan populariteit. Niet in het minst onder invloed van de millennials, die meer dan eerdere generaties gericht lijken te zijn op maatschappelijke relevantie.

‘Het is echter bij ondernemingen nog geen vanzelfsprekendheid om doelen te stellen op gebied van maatschappelijke impact en zeker niet om hier vervolgens daadwerkelijk naar te handelen of er op te sturen’, aldus Jacqueline Scheidsbach. Het accent ligt nog steeds veelal op het sturen op financiële kengetallen en op het optimaliseren van bestaande processen en minder op het toekomstgericht besturen en leren vanuit impact.

Impact, besluitvorming en ‘omdenken’
Maatschappelijke impact een plaats geven in de besluitvorming in organisaties vraagt om daadwerkelijk anders te gaan denken, ‘omdenken’ in de woorden van Jacqueline Scheidsbach. Dit overigens niet omdat dit vanuit een nieuwe ideologie ‘moet’, maar omdat het van belang is voor de toekomstbestendigheid van de organisatie, én voor de maatschappij. Een organisatie staat immers niet los van de maatschappij, er is sprake van over en weer beïnvloeding. Impact hoort hiermee op de agenda van bestuurders en toezichthouders. Omdenken is niet gemakkelijk. Jacqueline Scheidsbach geeft het voorbeeld van risicomanagement. ‘Risicomanagement is meestal financieel en output gedreven en kent een accent op compliance-zaken. Er wordt naar het verleden gekeken, naar de status quo, bestaande wet- en regelgeving en naar al voorliggende vraagstukken. Het levert daarmee een goede risico analyse op en dat is ook noodzakelijk als hygiëne factor. Maar, vervolgens is het ook mooi als de vraag vanuit de boardroom en raad gesteld wordt: “Wat zijn de risico’s als we kansen niet benutten?” Juist in deze disruptieve tijd, met zijn beperkingen op het gebied van klimaat, schaarste in materiaal en mensen en uitdagingen en mogelijkheden op het gebied van (informatie)technologie en robotica, is toekomst-denken en kans-denken zoals co-creatie essentieel. Ik noem dat het kantelen van de risico agenda.’

De functie van het Impact Center Erasmus
Impact Centre Erasmus wil bestuurders en toezichthouders ondersteunen bij het genoemde ‘omdenken’. Dit onder meer door onderzoek naar de mogelijkheden om impact te meten, waardoor het mogelijk wordt om te vergelijken en van elkaar te leren. ICE doet fundamenteel onderzoek en ook projectonderzoek, waarin in samenwerking met organisaties wordt onderzocht op welke wijze impact een plaats in de besluitvorming en businessmodellen kan krijgen.

De ‘Impact Index’
Daarnaast is door ICE in samenwerking met andere organisaties een aantal instrumenten ontwikkeld die een maat geven aan impact. Zo is er de ‘sectorreflectie’ en de ‘Impact Challenge’ voor goede doelen, de duurzame bankier-wijzer en heeft Impact Centre Erasmus de Managementscope Corporate Impact Index ontwikkeld. Op basis van openbare bronnen van o.a. AEX-organisaties en gevalideerde onderzoekstechnieken wordt op vijf pijlers getoetst hoe het staat met de ‘corporate impact’. Deze vijf pijlers zijn: goed bestuur, relatie met de buitenwereld, duurzaamheid, financiële gezondheid en werkgeverschap.

Jaarlijks publiceert Management Scope welke organisatie het beste scoort op deze index. De eerste winnaar was DSM, de tweede in 2018 de Volksbank. Welke organisatie dit jaar als beste uit de bus komt, wordt dit najaar onthuld. Dit jaar hebben de voorzitter van de Raad van Bestuur en de voorzitter van de Raad van Commissarissen van alle door Impact Centre Erasmus en Accenture Strategy onderzochte organisaties voor het eerst een factsheet gekregen met de resultaten van het impactonderzoek van de eigen organisatie. Reacties hierop zijn divers en leveren input voor het verder aanscherpen van de meetmethodes.

Executive Programs
Impact Centre Erasmus biedt ook executive programma’s voor bestuurders en toezichthouders. Voor bestuurders is er een driedaagse (www.ImpactStrategieAccelerator.nl) en voor toezichthouders een tweedaagse opleiding (www.ImpactGovernance.nl) ontwikkeld. Doel van deze opleidingen is bestuur en toezicht te motiveren om maatschappelijke impact voor hun organisatie als businesscase in beeld te krijgen als sturingsmechanisme, dit naast de financiële businesscase. Er wordt aandacht besteed aan de vraag op welke wijze lange termijn waarde-creatie voor de eigen organisatie ingericht kan worden en hoe rapportages op waarden vormgegeven kunnen worden. ‘Als toezichthouder kun je niet om aandacht voor impact heen’, aldus Jacqueline Scheidsbach. ‘Niet alleen omdat aandacht voor impact van directe waarde is voor de organisatie, maar ook omdat je vanuit de Governance Code geacht wordt verantwoordelijkheid te nemen voor lange termijn waarde-creatie en cultuur. En, er is vanuit de Europese Unie een richtlijn uitgevaardigd waarin rapporteren op niet-financiële waarden is opgenomen’. Jacqueline Scheidsbach hoopt dat je als bestuur en toezicht in staat en bereid bent om het goede gesprek te voeren over impact, maatschappelijke waarde en toekomstige kansen. Daarmee is besturen vanuit impact anders dan besturen vanuit finance en control en shareholdersvalue alleen. Of zoals Feike Sijbesma, bestuurder DSM, in een interview met de Volkskrant onlangs stelde: “Ik kan die twee dingen niet los zien: impact en verantwoordelijkheid”.

Vrouwen in de boardroom: in toenemende mate vanzelfsprekend?!

Vrouwen in de boardroom: in toenemende mate vanzelfsprekend?!

Gesprek met Mirella Visser, commissaris, toezichthouder, strategisch adviseur, auteur met passie voor inclusief leiderschap

Petri Ykema, Juni 2019

Eerste artikel van een reeks
Dit artikel is het eerste artikel in een reeks over ‘vrouwen in de boardroom’ dat we in de VCTE nieuwsbrief gaan opnemen. Naar ons idee past het thema goed in een ontwikkeling die momenteel in de aandacht staat: ‘diversiteit’ in bestuur en toezicht als basis voor betere besluitvorming. Zie ook het betoog van Marry de Gaay Fortman waarover we in de vorige nieuwsbrief berichtten. Ik spreek met Mirella Visser, vrouw met ervaring in boardrooms, internationaal gekend voorvechter voor het vergroten van invloed van vrouwen in besturen en boardrooms. Een vrouw met een lange historie in dit thema. In ons gesprek hebben we verkend wat de belemmeringen zijn ten aanzien van de toename van het aantal vrouwen in invloedrijke functies. Startpunt van het gesprek was de vraag: waar zou het accent op moeten liggen: meer vrouwen, meer diversiteit, meer inclusief in het kader van verbetering van besluitvorming.

Divers, inclusief of streefcijfer voor vrouwen?
Op mijn vraag hoe Mirella Visser aankijkt tegen het thema ‘vrouwen in de boardroom’, geeft zij aan dat de knop over denken over vrouwen in invloedrijke posities omgezet zou moeten worden. Het vraagstuk is een cultuurvraagstuk, tot op heden is het nog niet overal normaal dat vrouwen invloedrijke posities innemen. Zeker als je in ogenschouw neemt dat meer dan de helft van de wereldbevolking bestaat uit vrouwen. Het zou toch meer vanzelfsprekend moeten zijn dat vrouwen en mannen ook in besturen gelijkwaardig zijn. Mirella Visser geeft aan dat het toch erg vreemd is dat vrouwen nu nog steeds in relatie tot diversiteit worden ‘opgevoerd’. ‘Vrouwen zijn geen diversiteit, maar even universeel als mannen. Door vrouwen als ‘diversiteit’ te labelen worden zij behandeld als een minderheid en gaan zij zich ook zo voelen en gedragen. Daar moeten we echt vanaf.’

Nederland is in dit opzicht overigens wel een achtergebleven gebied, aldus Mirella Visser. Voor haar zou het accent minder op vrouwen en meer op het creëren van een inclusieve cultuur moeten liggen. Het is van belang om je bewust te zijn van je eigen vooroordelen, zeker niet alleen over man-vrouw verhoudingen, maar ook over bijvoorbeeld verschillende culturen. Bestuursorganen laten bestaan uit leden met een verscheidenheid in achtergrond en ruimte geven aan verschillende zienswijzen in besluitvorming door deze organen vormt, zo blijkt ook uit wetenschappelijk onderzoek, een betere basis voor besluitvorming.

Omdat het in Nederland nog bedroevend is gestemd met deelname van vrouwen in bestuursposities (een deel van het inclusiviteitsvraagstuk) is het zaak steviger maatregelen in te zetten om dit te realiseren. De streefcijferwet is ‘geflopt’, betogen Linda Senden (hoogleraar) en Mirella Visser in een artikel in de Volkskrant op 7 maart 2019. Het uitgangspunt van deze wet was ‘zelfregulering’ om het doel van 30% vrouwen in bestuur- en commissarisposities in grote bedrijven in 2020 te realiseren. Mirella Visser: ‘Dit doel is verre van gehaald, terwijl er meer dan voldoende kwaliteit en ervaring bij vrouwen zit. Daarom zijn afdwingbare wettelijke quota (en sancties bij niet voldoen hieraan), die hun waarde in diverse (Europese) landen hebben bewezen, noodzakelijk geworden’.

Meer vrouwen in invloedrijke posities: zaak van mannen én vrouwen
Wat te doen door mannen?
Mirella Visser geeft aan dat de toename van vrouwen in bestuursfuncties een zaak is van mannen én vrouwen. Mannen zouden meer open moeten staan voor het toelaten van vrouwen in de boardroom en zich meer bewust zijn dat het makkelijk is om ‘ons kent ons’ in besluitvormende teams leidend te laten zijn. Want daarmee dien je het bedrijf, de aandeelhouders, de klanten en de maatschappij niet. Mirella Visser pleit, zeker voor mannen, voor meer inclusief leiderschap. Dit type leiderschap, gericht op openstaan voor andere dan de geijkte en bekende inbreng, vraagt om het opzij zetten van je eigen mening, je eigen ego minder belangrijk maken en luisteren naar wat de ander beweegt. Mirella Visser: ‘Dit is voor niemand een eenvoudige opgave, zeker niet zolang het aantal mannen in bestuursorganen in de (ruime) meerderheid is. Vandaar het pleidooi voor wettelijke quota’.

Wat te doen door vrouwen?
Een belangrijke opgave is er zeker ook voor vrouwen. Naar de overtuiging van Mirella Visser is het zaak dat vrouwen zich niet alleen richten op een positie in bestuur of raad, maar ook op het verkrijgen van voorzitter-posities (bestuur, raad en commissies). Veranderingen realiseren, waaronder het toewerken naar meer inclusieve besluitvorming, kan met name vanuit deze posities. Veel vrouwen zijn echter nog steeds niet gericht op het verwerven van voorzitterschappen, posities om werkelijk invloed uit te oefenen. Zij zoeken, in zijn algemeenheid, te veel zekerheid, zijn te bescheiden en zouden meer lef moeten tonen, aldus Mirella Visser. Mirella Visser coacht vrouwen die de ambitie hebben om zich te ontwikkelen tot invloedrijke bestuurders. Haar eigen ervaringen zijn hiervoor een belangrijke inspiratiebron. Vanuit haar ambitie was zij de eerste vrouwelijke trainee in het traineeprogramma voor hoger management bij ING. Zij heeft geleerd dat om daadwerkelijk door te groeien naar de positie die je ambieert vraagt dat je je eigen netwerken opbouwt en inzet en niet alleen maar vertrouwt op de bestaande recruitmentprocessen. ‘Je wordt als vrouw vaak niet voorgedragen voor belangrijke posities, vaak vanuit het niet vanzelfsprekend zijn hiervan, een enkele minder positieve ervaring met een vrouw, het idee dat er geen geschikte vrouwelijke kandidaten zijn’. Mirella Visser is al snel in haar loopbaan gestart met het opzetten van ‘vrouwennetwerken’, om hierdoor aan vrouwen een gelegenheid te bieden om te leren van elkaar en elkaar te stimuleren. Een voor Mirella Visser belangrijk en succesvol netwerk was het in 2001 door haar mede opgerichte ‘European Professional Women’s Network’, met 3500 deelnemers in diverse Europese steden. Haar activiteiten voor het ‘promoten van professionele vooruitgang’ van vrouwen in Nederland en Europa heeft geleid tot haar nominatie in 2007 voor de titel ‘European of the Year’. Mirella Visser: ‘We zijn er nog niet; dat er vrouwen in invloedrijke posities zijn is nog niet breed geïnstitutionaliseerd, de cultuurverandering is nog niet gerealiseerd’. Mirella Visser gaat door met haar inzet om te komen tot meer inclusieve besluitvorming en het ondersteunen van vrouwen om zich te profileren voor bestuursposities. Na haar voor Managementboek van het Jaar genomineerde, boek ‘De zijderoute naar de top’ is ze nu bezig met een boek over ‘inclusive leadership’ en hoopt hiermee een nieuw duwtje in de goede richting te geven.

Vervolg
We hebben afgesproken om in vervolg op dit artikel een aantal thema’s te selecteren waar we een stapje dieper op gaan zetten. Natuurlijk staan we open voor ideeën.

Goed Bestuur Jaarlezing 2019

Goed Bestuur Jaarlezing 2019

DIVERSITY OF THOUGHTS   DE JUISTE ANTENNES VOOR GOOD GOVERNANCE

Op 15 mei 2019 is de jaarlezing Goed Bestuur gehouden. Erasmus Governance Institute is één van de partijen die deze lezing mogelijk maakte. Naar schatting waren zo’n 60 mensen aanwezig, onder wie een behoorlijk aantal VCTE leden. Keynote speaker was Marry de Gaay Fortman, haar lezing had de titel: ‘Diversity of thoughts, de juiste antennes voor good governance’. De eerste lezing van Wim van Hennekeler over ‘Waarom besluitvorming beter kan’ was een mooie appetizer voor de hoofdlezing. Een korte samenvatting.

Kernvraagstuk van de lezingen was: op welke wijze kun je besluitvorming (in boardrooms) verbeteren. De bijdrage van Wim van Hennekeler richtte zich op de vraag hoe ‘foute besluitvorming’ te voorkomen. Accenten in de lezing van Marry de Gaay Fortman waren de waarde van diversiteit en de waarde van rolbewuste invulling van de toezichtfunctie.

Foute besluiten
Wim van Hennekeler is auteur van het boek ‘Foute besluiten’, een boek waarin hij aandacht besteedt aan onderliggende patronen bij besluitvormingsprocessen die fout lopen. Betoog van Wim van Hennekeler is dat fouten in besluitvorming veelal het gevolg zijn van onderliggende patronen in de groep die het besluit neemt. Patronen die onder meer worden gevormd door het belang van individuele deelnemers om ‘erbij te willen horen’. In zijn onderzoek heeft hij de volgende onderliggende patronen gevonden die kunnen leiden tot suboptimale besluitvorming:

  • ‘Doorgeduwde’ hiërarchie
  • Onvolledige informatie
  • Groepsdenken (streven naar consensus, vermijden van conflicten) dan wel ruzie in de board
  • Overschatten van de maakbaarheid (bijvoorbeeld bij grote ICT-projecten)
  • Machobesluiten, gevolg van indruk willen maken door een of enkele deelnemers
  • ‘Bonus bias’ (onder andere financiële drijfveren, bovenmatige bonussen die tot irrationele besluitvorming leiden).

Het grootste leerpunt van Wim van Hennekeler is dat fouten (soms) vermijdbaar zijn. Hiervoor is het van belang dat teams zich bewust zijn van mogelijke verstoringen in het besluitvormingsproces, proactief ten behoeve hiervan tegenspraak organiseren, andere stijlen/attitudes in hun team incorporeren en/of meer gemengde teams tot stand brengen. Zelfreflectie is een sleutelwoord hierbij.

Diversiteit
Diversiteit in raden van commissarissen en raden van toezicht was het hoofdthema van de lezing van Marry de Gaay Fortman. Zij is partner bij advocatenkantoor Houthoff en is onder meer commissaris bij De Nederlandse Bank en KLM. Volgens haar leidt het adresseren van diversiteit nog steeds bij veel raden van commissarissen tot ongemak. De vraag is wat de waarde van diversiteit in boardrooms is. Te meer omdat diversiteit er niet  vanzelf toe leidt dat de neuzen dezelfde kant opgaan en, zo leert de ervaring ook, dit meer tijd vergt voor besluitvorming. Wiebe Draijer, CEO van Rabobank, heeft de uitspraak gedaan dat diversiteit een hel is voor een voorzitter. Maar, zo geeft Marry de Gaay Fortman aan ‘de langere tijd die nodig is voor besluitvorming wordt gecompenseerd door de versnelling in de uitvoering van besluiten doordat besluiten een groter draagvlak kennen. Diversiteit leidt tot verschillende antennes en is onontbeerlijk voor de ontwikkeling van een sterk moreel kompas. In boardrooms met gelijkgestemde leden, is het risico groter dat wordt gekozen voor oplossingen die net binnen de regels vallen, maar maatschappelijk gezien als (moreel) niet wenselijk worden beschouwd.

Diversiteit en moreel kompas
Marry de Gaay Fortman betoogt dat in deze turbulentie tijd, met wankelende cohesie en afbrokkelend vertrouwen, het van groot belang is dat bestuurders en commissarissen zich zichtbaar committeren aan het maatschappelijk belang. Niet alleen vanwege het maatschappelijk belang, maar ook omdat niet handelen volgens de nu geldende maatschappelijke normen funest is voor organisaties en bestuurders. Neem het voorbeeld van nu: het bestuurlijk handelen van het ING-bestuur en RvC. ‘Fairplay, levert bonuspunten op’, aldus Marry de Gaay Fortman. Het is zaak als board je moreel kompas te bepalen en daaraan vast te houden en niet, vanwege consensus of eigen belang recht te praten wat krom is, of in vergelijking met anderen vast te stellen dat het altijd nog erger kan. Als board moet je je steeds afvragen hoe wordt er morgen over ons gedrag en onze besluiten gesproken en hoe overmorgen?

De laatste jaren is de aandacht voor lange termijn waarde-creatie gegroeid. De board moet zich, op eigen initiatief, richten op maatschappelijke verbinding. Het accent op cultuur in de laatste versie van de governance code sluit aan bij deze verschuiving. De board is adviseur of klankbord en niet alleen terugkijkend toezichthouder. ‘Je kunt ook spreken van een toenemend belang van een 1.5 tier-model’ aldus Marry de Gaay Fortman.

Juist bij deze veranderende rol van de board is diversiteit, met meerdere antennes als resultaat, van groot belang voor het invullen van de maatschappelijke verantwoordelijkheid door de board.  Afsluitend advies van Marry de Gaay Fortman is om als board voor de vergroting van diversiteit te kiezen voor potentieel in plaats van te kiezen voor ervaring.

Goed bestuur jaarlezing 2020
In 2020 is er een nieuwe jaarlezing Goed Bestuur. Het thema hiervan is nog niet bekend. Houd de VCTE-berichten in de gaten wanneer je deze (vast opnieuw interessante) lezing niet wilt missen.

Toezicht in de zorgsector: een andere tak van sport?!

Gesprek met Marius Buiting, directeur Nederlandse Vereniging Toezichthouders in Zorg en Welzijn (NVTZ)

Ook, of misschien wel juist, in zorg en welzijn staat de ontwikkeling van toezicht niet stil. Door ontwikkelingen als marktwerking in de zorg, druk op efficiency en effectiviteit om de steeds toenemende zorgkosten te beteugelen, fusies en dergelijke komt er heel wat op het bord van bestuurders en toezichthouders. Voor posities in Raden van Toezicht in deze sector bestaat een toenemende belangstelling. Niet alleen van (potentiële) toezichthouders afkomstig uit de semipublieke sector, maar ook van belangstellenden uit ‘het bedrijfsleven’.

Bedrijfsleven ervaring relevant voor zorgsector?
Het gesprek met Marius Buiting richt zich op de voor toezicht onderscheidende aspecten van met name zorgorganisaties in vergelijking met organisaties uit het bedrijfsleven. Marius Buiting (arts en jurist) heeft in zijn negen jaar als directeur van de Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in Zorg en Welzijn (NVTZ) veel inzicht verkregen in de ontwikkelingen in zorg en toezicht. Eén van de interessante ervaringen van Marius Buiting is dat maar weinig uit het bedrijfsleven afkomstige toezichthouders langdurig betrokken blijven bij de zorgsector. ‘Meermaals heb ik gezien dat een toezichthouder met een bedrijfsleven achtergrond start met de ambitie om de zorgorganisatie te willen veranderen, zodat de organisatie ‘op orde komt’ volgens de logica van organisaties uit het bedrijfsleven. Dit blijkt veelal niet haalbaar te zijn’.

Verschillen tussenbedrijfsleven en zorgsector
Dit roept de vraag op wat de verschillen zijn tussen de twee werelden van bedrijfsleven en zorg. Marius Buiting geeft aan dat het grootste verschil gelegen is in de logica van de processen die in de verschillende organisaties zijn te onderscheiden. In het bedrijfsleven, de industrie, gaat het om ‘productieprocessen’, die ervoor zorgen dat je van een productontwerp (design) tot een ‘re-product komt’. Een overzichtelijke logica. Er wordt veel aandacht besteed aan het terugdringen van de kleinste afwijking in het re-productieproces, met als doel de productiekosten zo laag mogelijk te krijgen. Al vanaf het begin van de vorige eeuw en tot op de dag van vandaag wordt gewerkt aan het steeds verder optimaliseren van productieprocessen en het verbeteren van performance.

Marius Buiting: ‘In de zorg is er, anders dan in de industrie met de industriële revolutie, nooit een moment in de tijd geweest dat er een nieuwe, consistente, logica is ontwikkeld voor het werken in de zorg. Wat je kunt zien is dat alle logica’s uit het verleden nog zichtbaar zijn in zorgorganisaties. De kernkenmerken van de gildes (besloten beroepsgroepen, gericht op bescherming van het eigen vakgebied), de hiërarchische, bijna militaire structuur uit de vroege ziekenzorgorganisaties nog steeds aanwezig. Er zijn wel pogingen gedaan meer op industriële denkbeelden gebaseerde processen en organisaties vorm te geven. Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft de overheid ingezet op bereikbare zorg voor iedereen. Dit heeft onder meer geleid tot introductie van ziekenfondsen, maar ook tot de introductie van bureaucratie. In deze tijd komt de wereld van de industrie binnen in de zorg en wordt gesproken over ‘productie’, worden processen beschreven en KPI’s ingevoerd’.

Marius Buiting verzucht: ’De sector waar ik van houd, verhoudt zich niet logisch. Er is sprake van steeds ‘rommeliger’ organiseren, juist door de samensmelting van de gildenormen, hiërarchische uitgangspunten en processturing die vanuit het bedrijfsleven is geïntroduceerd’.

Zorgorganisaties opnieuw uitgevonden
Om zorgorganisaties opnieuw uit te vinden heeft Marius Buiting een aantal suggesties. De eerste is om werkgebieden waar het maakproces en de beleving van kwaliteit op hetzelfde moment plaats vinden (net als in de zorg), als voorbeeld te nemen. Hierbij kun je denken aan de levering van een prestatie door een sporter, waarbij de prestatie door sporter en coach samen wordt gemaakt. Marius Buiting: ‘In de sport is coaching uit veel meer gaan bestaan dan alleen coachen op de sport. In de loop van de tijd zijn inzichten uit onder meer de bewegingswetenschap, voedingsleer en psychologie aan de coaching toegevoegd. Coachen heeft daarmee een ander karakter gekregen: van coachen vanuit alleen het sportvakgebied, naar coachen met kennis van alle relevante aandachtsgebieden. De coach kent deze aandachtsgebieden basaal. Voor specifieke vraagstukken betrekt de coach experts uit het gevraagde vakgebied. In de zorg is de relatie tussen cliënt en professional te zien als de relatie tussen sporter en coach. De zorg voor een cliënt zou ook vanuit het idee van de coach met basale kennis van het merendeel van de disciplines kunnen worden vormgegeven, die experts inschakelt als dit noodzakelijk is. Dit is een fundamenteel ander organisatieontwerp, dat zich op dit moment aan het vormen is, bijvoorbeeld in sociale wijkteams en in de jeugdzorg.

Voor het tweede idee betoogt Marius Buiting dat mensen die in de zorg werkzaam zijn merendeels uit passie hiervoor gekozen hebben, maar dat besturing in zorgorganisaties juist niet passie als uitgangspunt heeft. Naar het idee van Marius Buiting zou meer ingezet moeten worden op zelfregulering door professionals als op sturing door regels. De beweging zou een beweging moeten zijn van instructie naar het bevorderen en internaliseren van zelflerend vermogen. Persoonlijke ‘reflection in action’ zou in de plaats moeten komen van reflectie door systemen en managementuitgangspunten als PDCA en regels. Marius Buiting: ‘Hierbij is een uitspraak van mijn moeder, destijds verpleegkundige nog altijd van grote waarde voor de professional: Denkt aleer gij doet en al doende denkt dan nog’

Om dergelijke (fundamentele) veranderingen in zorgorganisaties tot stand te brengen is het pleidooi van Marius Buiting om dit in bestaande organisaties incrementeel en transformatief te doen. Belangrijke vraag hierbij is: kan een organisatie zo geprikkeld worden dat deze kan toegroeien naar een andere ordening. In de ziekenhuiszorg is een aantal vernieuwingen zichtbaar. Zo werden vroeger patiënten behandeld door verschillende specialismen. Nu zijn in de relatief nieuwe functies van intensivist en intensive care verpleegkundigen voor diverse disciplines verenigd. Dit model van proactief integreren zou op meer plekken in de zorg interessant kunnen zijn.

Toezicht en vernieuwing in de zorg
De Raad van Toezicht van een zorginstelling zou zich moeten trainen in het analyseren van de bestaande besturingsfilosofie van de organisatie en de bestuurder prikkelen om tot een wijziging van de besturingsfilosofie te komen. Naar het idee van Marius Buiting is het hierbij wijs niet alles tegelijk ‘op de schop te nemen’, maar ook hier stap voor stap, incrementeel en transformatief, te werk te gaan.

Petri Ykema

Het klimaat in de boardroom: kan het een graadje warmer?

Inleiding
Het klimaat is inmiddels een grote kwestie geworden in veel boardrooms. Maar, voor buitenstaanders is het moeilijk een goed oordeel te vormen over de mate waarin ondernemingen echt zijn voorbereid op de uitdagingen. Bestudering van de nieuwe 2018 jaarverslagen van een aantal van de grootste AEX genoteerde bedrijven laat zien dat er weliswaar meer aandacht is voor klimaatrisico’s. Maar ook blijkt dat veel van deze bedrijven de nieuwe regelgeving omtrent verslaglegging over klimaatrisico’s niet goed in de vingers hebben. Consistent met onze waarneming roept de NBA bedrijven op vaart te maken met het vermelden van hun klimaatprestaties.

Zijn klimaatrisico’s ingeprijsd?
Daarvoor moet gekeken worden naar transitierisico’s verbonden aan de overgang naar een klimaatneutrale economie waarinsteeds meer landen CO2 nationaal gaan beprijzen. Fysieke risico’s zoals de stijgende zeespiegel, extreme neerslag of stormen treffen verzekeraars. Er zijn tevens juridische risico’s. De staat New York heeft ExxonMobil voor de rechter gedaagd vanwege misleidende informatie aan beleggers over klimaatrisico’s. Het Duitse energiebedrijf RWE wordt aangeklaagd door de Peruaanse boer Lliuya die klimaatschade voor zijn dorp claimt. Ook wordt gedragsverandering bij consumenten zichtbaar: eten wordt geassocieerd met CO2 uitstoot en vliegen wordt gezien als het nieuwe roken. Ten slotte zal klimaatverandering een impact hebben op de operationele kosten van bedrijven.

Centrale banken en andere toezichthouders hebben in 2016 de Task Force for Climate-related Financial Disclosures (TCFD) opgezet om bedrijven tot transparantie te dwingen in de jaarlijkse verslaglegging. De TCFD wordt ondersteund door 11 van de 25 aan de Amsterdamse AEX genoteerde bedrijven. Het door de Verenigde Naties gesteunde netwerk Principles for Responsible Investment (PRI), dat duurzaamheid nastreeft in de financiële sector, verplicht haar leden uiterlijk in 2020 de TCFD aanbevelingen over te nemen.

Transparantie over klimaatrisico’s
Bedrijven en maatschappelijke ondernemingen hebben een beperkte invloed op hun kwetsbaarheid voor klimaatrisico’s. Als voorbeeld: de brouwerijen van Heineken staan over de hele wereld, dus ook op plekken waar klimaatverandering veel impact zou kunnen hebben; de productie van staal brengt zeer veel CO2 uitstoot met zich mee. Het “Carbon Disclosure Project”, dat klimaatdata verzamelt over Europese bedrijven, heeft de kwetsbaarheid voor transitierisico’s en fysieke klimaatrisico’s per sector vastgesteld. De sectoren ‘fossiele brandstoffen’ en ‘materials’ scoren hoog op transitierisico. De 2017 en 2018 jaarverslagen laten zien dat deze sectoren transparanter worden over hun klimaatrisico’s. DSM vermeldt klimaatrisico’s op verschillende plekken in het jaarverslag, inclusief het verslag van de Raad van Commissarissen en de Raad van Bestuur. Deze rapportage is in 2018 uitgebreid met een aparte TCFD bijlage. Shell steunt de TCFD aanbevelingen en kwalificeert klimaat inmiddels als “major riskfactor”. Dat geldt ook voor milieurechtszaken die tegen haar lopen en die zij “without merit” noemt.

De ‘vastgoedsector’ scoort ook hoog op klimaatrisico, maar rapporteert behalve over CO2 slechts beperkt over klimaatrisico’s. In hoeverre zijn kantoren en winkelcentra gevoelig voor de kans op overstromingen, wat zijn de kosten van het klimaat neutraal maken van gebouwen?

De financiële sector (banken, verzekeraars) is voor de inschatting van haar klimaatrisico’s afhankelijk van de bedrijven die zij financiert. Deze sector is pas nu begonnen enige transparantie te verschaffen over klimaatrisico’s. Het gebrek aan betrouwbare data en het ontbreken van uniforme rapportage vormen voor deze sector een obstakel voor goed inzicht.

Binnen de sector ‘infrastructuur’ scoort Vopak hoog op zowel fysieke als transitie risico’s. VOPAK voert de aanbevelingen van de TCFD systematisch in en rapporteert hierover in het 2017 en 2018 jaarverslag. Zo lezen we dat VOPAK investeert in het verhogen van dijken op een aantal van haar locaties.

Conclusie
De wereld is snel aan het veranderen en de alarmbellen gaan volop af. De Technical Expert Group van de EU schetst een tekort van € 180 mrd aan investeringen om aan de klimaatdoelen te voldoen en roept het bedrijfsleven dringend op tot transparantie en actie. Ook investeerders voeren de druk op bedrijven op. Maar informatie over dit onderwerp is nu nog zeer moeilijk te vinden, inconsistent en gefragmenteerd. Beursgenoteerde bedrijven maken stapvoets vorderingen. Ook als ‘business first’ belangrijk geacht wordt is klimaatverandering een bepalende factor in het kader van lange termijn waardecreatie. De tijd dat klimaatverandering iets was van de toekomst is  gepasseerd. Klimaatverandering is niet cyclisch en gaat niet weg.

Jan Stolker is directeur Erasmus Governance Institute
Gerhard Mulder is director bij Oxylus Climate Advisors

Data Analytics en kunstmatige intelligentie juist nú in de boardroom

Interview met Dr. Willem Peter de Ridder, vormgever en één van de docenten van de masterclass Data Analytics en kunstmatige intelligentie voor Commissarissen & Toezichthouders van Erasmus Q-Intelligence

5 maart 2019

Nog geen vijf jaar geleden waren Data Analytics en kunstmatige intelligentie een ‘ver van mijn bed show’. Er was nog ruimte voor sceptici, die dachten dat het zo’n vaart niet zou lopen. Nu, in 2019, moet je als bedrijf, burger en zeker ook als toezichthouder zicht hebben op de mogelijkheden en de gevolgen van kunstmatige intelligentie.

Impact
‘De impact op onze maatschappij, op organisaties en op ons persoonlijk leven is enorm’, aldus Willem Peter de Ridder. De technologie is beschikbaar, de data zijn er en het aantal toepassingen neemt sterk toe, waardoor de impact in rap tempo meer zichtbaar wordt. Zo wordt Data Analytics nu op grote schaal ingezet om profielen te maken van (potentiële) klanten en ‘op maat aanbiedingen’ te doen voor een unieke klant, en dus ook voor jou en mij. Steeds meer operationele en logistieke processen zijn inmiddels afhankelijk van algoritmes. En bij selectiegesprekken is inmiddels aangetoond dat je beter beeldherkenning in kunt zetten om emoties van mensen waar te nemen dan enkel te vertrouwen op de inschatting van een interviewer.

Arbeidsmarkt
‘Iedere baan wordt beïnvloed door deze ontwikkeling’, aldus Willem Peter. Alles wat routine is, zal gerobotiseerd worden en dat raakt de bovenkant van de arbeidsmarkt minstens net zo hard als de onderkant. Een interessant voorbeeld hiervan vinden we in de gezondheidszorg. Het stellen van medische diagnoses, nu voorbehouden aan medisch specialisten, is weliswaar complex, maar ook routinematig en kan daardoor ook door algoritmes worden gedaan. Het werk van verpleegkundigen kan veel moeilijker worden gerobotiseerd.

In het Future of Jobs rapport van het World Economic Forum (2018) staat te lezen dat 71% van het totale beschikbare werk nu nog door mensen wordt gedaan, maar dat dat in 2025 nog maar 48% zal zijn. Machines doen dan dus 52% van het werk. Dat is een enorme verschuiving in slechts 7 jaar. Ook volgens dit rapport is de verwachting dat er 75 miljoen banen verdwijnen. Maar hier staat tegenover dat er 133 miljoen nieuwe banen bijkomen! ‘De nieuwe banen vragen wel om andere competenties van medewerkers’, aldus Willem Peter. Het gaat in toenemende mate om het vermogen om te blijven leren en je aan te blijven passen aan de veranderde eisen in het werk. Steeds meer werkgevers testen naast IQ en EQ ook op LQ, de learnability quotient.

Risico’s
Willem Peter ziet ook een aantal nieuwe risico’s ontstaan: ‘Wie snapt nog wat er in een organisatie gebeurt als de bedrijfsvoering afhankelijk is van algoritmes en wie is nog in staat om tijdig in te grijpen? En hoe moet je een zelflerend systeem testen dat vandaag andere uitkomsten genereert dan vorige week?’ We gaan ernaar toe dat algoritmes worden gecontroleerd door algoritmes, maar dat maakt de controle door mensen niet eenvoudiger. In plaats van ‘too big to fail’ zou het nieuwe adagium weleens ‘too fast to save’ kunnen worden.

‘Toepassingen van kunstmatige intelligentie moeten te allen tijde uitlegbaar zijn: transparant, controleerbaar en vrij van vooroordelen.’

Met het onjuist of onethisch inzetten van algoritmes kunnen behoorlijke reputatierisico’s ontstaan. Een recent voorbeeld hiervan hebben we gezien bij Cambridge Analytica, dat de gegevens van 87 miljoen Facebook gebruikers in handen had en ervan werd beschuldigd deze te hebben gebruikt voor de Trump campagne. Het bedrijf heeft dit steeds ontkend, maar is desondanks inmiddels opgeheven.

Toezicht
‘Voor de toezichthouder is nadrukkelijk een rol weggelegd in de zich snel ontwikkelende wereld van Data Analytics en kunstmatige intelligentie’, aldus Willem Peter, ‘omdat iedere organisatie hier al mee te maken heeft of anders zeker op korte termijn mee te maken krijgt’. De toezichthouder moet de ontwikkelingen volgen om bestuurders enerzijds uit te dagen om voldoende tempo te maken en anderzijds de risico’s in te kunnen schatten. Vragen die in de boardroom aan de orde zouden moeten komen zijn bijvoorbeeld: wat gebeurt er al in de sector, wat zijn de bestaande en de nieuwe spelers die voorop lopen aan het doen en waarvoor kunnen wij in onze organisatie algoritmes inzetten? Het is erg belangrijk voor de toezichthouder om te toetsen of de bestuurder zelf zicht en grip heeft op de toepassingen van Data Analytics en kunstmatige intelligentie.

Masterclass Data Analytics en kunstmatige intelligentie
Willem Peter is de initiator van deze masterclass voor commissarissen en toezichthouders. De masterclass is afgeleid van een al bestaand programma voor bestuurders, Strategische kijk op Data Analytics. De masterclass voor commissarissen en toezichthouders beslaat twee dagen. De eerste dag wordt ingegaan op de ontwikkelingen op het gebied van Data Analytics en kunstmatige intelligentie en op de impact daarvan op de organisatie. De tweede dag gaat over de vraag wat dit betekent voor leiderschap en toezicht. Hoe moet je leiderschap in een digitale transformatie beoordelen en welke vragen moet je daarbij stellen?

De masterclass vindt plaats op 14 en 28 juni 2019. Meer informatie is beschikbaar op de website van Erasmus Q-Intelligence: www.eur.nl/eqi.

Emoties in de Boardroom

Interview met Bert Iedema, kerndocent van module 4 (Strategie & Risk management) en de Masterclass Emoties in de Boardroom van de EGI-leergang 

18 februari 2019

‘Moet ik degene zijn die ….. ?’ Een vraag die menig toezichthouder zich stelt wanneer in de RvC zaken anders lopen dan gewenst of gehoopt. Een vraag die voort kan komen uit een toenemend gevoel van ‘niet pluis’ of ‘kan ik mij hier wel in vinden’. Een vraag waar vaak, zo leert de praktijk, vervolgens (toch) geen actie aan wordt gekoppeld. Dit vanuit door de vraagsteller vermeende gevolgen van een dergelijke interventie voor hemzelf, zoals: ‘ik zal wel de enige zijn die dit vindt’, ‘mijn positie komt onder druk te staan’, ‘ik stel de verhoudingen binnen de RvC/T op scherp’. Reacties die voortkomen uit een individuele emotie. Laat dit nou net een aspect zijn van het functioneren in de boardroom waar weinig tot geen aandacht voor is. Niet in de boardroom, maar ook niet voldoende in de EGI leergang.

Bert Iedema heeft het initiatief genomen om emoties (individueel en binnen de RvC/T als team) onderdeel te maken van een aparte Masterclass Emoties in de Boardroom. Belangrijke drijfveer hierbij is voor Bert dat vanuit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat aandacht voor emoties en met name een vervolg geven aan waargenomen emoties sterk bijdraagt aan de verbetering van de effectiviteit van besluitvorming en het algehele functioneren van de RvC/T. Onderzoek leert dat bedrijven met een ‘top EQ’ in de boardroom, zich kenmerken door een superieure performance: immaterieel, maar ook financieel. Ook is wetenschappelijk vast komen te staan dat je IQ met zo’n 7-14% daalt in een stressvolle situatie, waardoor je nadrukkelijk minder goed in staat bent om goede besluiten te nemen. Stress leidt tot bijvoorbeeld tot de gevaarlijke combinatie van willen vasthouden aan één alternatief en niet openstaan voor andere oplossingen, defensief gedrag, de gevoelde noodzaak om snel te beslissen en tunnelvisie. De neuroloog Antonio Damasio heeft aangetoond dat onze hersenen ervoor zorgen dat we altijd besluiten nemen op basis van onze eerdere ervaringen en belevingen en dat daarmee onze emoties leidend zijn voor elk besluit[1]. Rationele besluiten bestaan niet.

[1] Zie bijvoorbeeld een interview met hem op Youtube: “When emotions make better decisions

Desondanks is het geen vanzelfsprekendheid om aandacht te hebben voor het fenomeen ‘emoties’. Sterker, vaak is er zelfs weerstand tegen. Bert geeft aan dat dit eigenlijk niet verwonderlijk is. Veel van de RvC/T’s bestaan uit mannen van oudere leeftijd, die nooit thuis, op school of op hun werk geleerd hebben om te praten over emoties en daardoor ook niet of nauwelijks bekend zijn met hun eigen emoties. Ook hebben zij niet geleerd hoe zij moeten omgaan met emoties van anderen. Juist in de huidige boardrooms blijven emoties daarmee veelal onbesproken. ‘Weinig mensen realiseren zich dat iedere mens, iedere seconde handelt op basis van 7-12 emoties die hij simultaan ervaart. Ieder besluit wordt gekleurd door de emotie die je als mens erbij ervaart’, aldus Bert. Benoemen van emoties en leren hoe hiermee om te gaan leidt tot veel effectievere besluitvorming.

Voorbeeld uit de praktijk:
Een lid RvC van een groot beursfonds wist dat er sprake was van een slechte relatie tussen de voorzitter van de Raad van Beastuur en de voorzitter van de RvC. Hij besloot echter om niet in te grijpen (‘moet ik degene zijn die’?) en af te wachten totdat er een andere voorzitter RvC zou aantreden. Dit heeft in sterke mate bijgedragen aan de verslechtering van de resultaten van het bedrijf en uiteindelijk zelfs een faillissement.

Bert coacht bestuurders en toezichthouders op het onderkennen en bespreken van emoties. In zijn werk met deze doelgroepen blijkt dat er ‘believers’ zijn, maar ook mensen die emoties een taboe vinden. De ervaring van Bert is dat je in zes tot acht coaching sessies tot daadwerkelijke verbetering van emotiemanagement en besluitvorming kunt komen. ‘Als je leert met je emoties om te gaan en dit ook in een boardroom aan de orde te stellen, leidt dit tot een meer kwetsbare, open opstelling, meer ‘awareness en tot meer en beter doorvragen’, aldus Bert.

Daniel Goleman heeft met zijn bestseller Emotional Intelligence in 1995 het belang van persoonlijk EQ duidelijk gemaakt. Vanessa Druskat c.s. hebben met het artikel Building the emotional intelligence of groups in Harvard Business Review al in 2001 het thema EQ van teams op de kaart gezet. Kern van haar betoog is dat ‘emotioneel intelligente’ teamregels essentieel zijn voor goede besluitvorming. Druskat stelt dat er te weinig wordt doorgevraagd en er te beperkt aandacht is voor ieders bijdrage in de besluitvorming. Het is van belang dat de inbreng van iedereen gehoord wordt (‘gebalanceerd aan het woord’). Genereren en bespreken van meerdere alternatieven leidt tot betere besluitvorming. Dit vraagt om empathie, impulsbeheersing en toelaten van enige kwetsbaarheid en onzekerheid. Dit daadwerkelijk realiseren vraagt om het benoemen en bespreken van emoties. Ook Bert ervaart dat er in de boardroom te vaak sprake is van ‘jumping to conclusions’. Hij geeft aan dat hier een belangrijke rol is weggelegd voor de voorzitter/leider in de boardroom. Maar hij geeft ook de praktische tip om in een team een team facilitator te benoemen, als rechterhand van de leider op dit gebied. De team facilitator leidt de debriefings na afloop van vergaderingen over de vraag of het team effectief (genoeg) is geweest en kan op beslissende momenten interveniëren in het besluitvormingsproces.

Bert is de inspirerend begeleider van de Masterclass Emoties in de boardroom , van EGI. Een aanrader voor eenieder die zijn persoonlijke effectiviteit en de effectiviteit in teams in besluitvorming wil verbeteren.